ONDER
EIGENHEIMERS (1985)
N opdracht van mijn moeder,
mevrouw Eigenheimer-Aarde, om niet te zeggen moeder Aarde, zat ik het laatste
half uur van dit decennium uit te vogelen hoeveel nieuwe woorden ik kon opbouwen
uit de letters "OUDEJAARSAVOND". Ik won de wedstrijd met 91. Mijn neef
Doctorandus Jantje Eigenheimer, had er 22000. Althans in theorie, via een
formule, waarbij hij aantekende dat slechts 1% der mogelijke lettercombinaties
inderdaad bestaande woorden zou vormen.
In januari verdedigt hij een proefschrift over het gedrag van eiwitmoleculen in smeltende sneeuw op de Zuidpool bij zonlicht onder een doorgebrande ozonlaag. In het voorwoord staat trots dat het onderzoek ten koste ging van zijn gezin.
Nog maar 365 dagen geleden op het breukvlak van 19TOEN had ik zijn zusje Emmy naar haar gemoedsgesteldheid geïnformeerd. "Nu het jaar opnieuw kantelt," hernam ik en keek haar aan, "voel jij je zeker weer traditiegetrouw weemoedig?"
Maar wat ze bij de vorige klokketik der eeuwigheid nog geantwoord had was ze nu al weer vergeten. Alsof er geen spreekwoord bestond: de laatste indruk is de blijvende. Er moest wel iets mis zijn met mijn brein. Een normaal mens was voortdurend aan het vergeten. Wanneer schoot mij voor het laatst iets niet te binnen?
Op TV sprak "in deze laatste ogenblikken" een no-nonsense dominee van EONICA. Hij forceerde zijn stem om brutaal en gezwollen te klinken, omdat je daarmee tegenwoordig onvolwassenen kan mindfucken. Het heette dat al die eeuwen voorbijgezien was aan God's gevoel voor FUN, bijvoorbeeld toen hij de vrouw van Lot veranderde in een zoutpilaar. Er werd door de Eigenheimers overgeschakeld naar VARANIEK waar een samenzweerderige kermisstem het mediavolk aansprak met jou en jij.
De laatste minuut van het jaar keek ik naar mijn broer. Hij zat in de kleermakerszit bij de zoevende haard. "Heerlijk moment hè?" lispelde ik, "om weer een jaar van je af te wentelen. Op is op."
De secondewijzer stond nog niet eens bovenaan toen mijn moeder al begon met handen geven. Wou ze zich zo snel mogelijk van de plichtpleging kwijten? "De beste wensen voor je computer," zei ik tot mijn neef. "Want die is immers bang om net als een mens te worden? Daarom weigert hij verse software." Jan grijnsde alsof hij terzelfdertijd een poeplucht rook. Echt een man met een gezin.
Mijn broer wenste ik toe: "Gelukkig Nieuw Ja." "Waarom ja?" "Omdat je geen nee kan zeggen. De sluisdeur van 12 uur is opengedraaid en de zwarte moddervloed kolkt naar binnen. Of ga je soms op 4 mei met de kippen halfstok?"
Buiten verhief zich een oorlogsgedaver. Over de beeldbuis vloeiden slijmerige draden koudvuur. Net als door het milieu. Als je dat binnen één roteeuwtje zo erg weet te vervuilen, dan moet je wel de doornenkroon op de schepping zijn.
"Proost!" aldus mijn nicht. Ik had er een afkeer van om mijn glas op zo'n kneuterige manier tegen dat der anderen te tingelen dus liep ik naar de box, deed mijn schoenen aan en verliet de ouderlijke woning.
Mijn ogen zochten Lidewei. Terwijl ik om een slapende bestelwagen heen liep meende ik haar te zien: dat grote heel aardige meisje. Die ging ik doodgewoon zoenen. Toen ze dichterbij kwam zag ik dat ik haar niet kende. Logisch, Lidewei was op 27 maart 1977 op Tenerife om 18 uur 12 in een KLM-Jumbo op de startbaan uit haar lichaam verdreven.
Daar was mijn jeugdvriendje Joepie. Kort haar, kort jasje, kort van stuk, grote ogen achter een grote bril en net als toen hij klein was nog voortdurend lachend. Nu wij beiden tot onderscheid waren gekomen kon ik het hem eindelijk wel eens vragen. "Joep, gelukkig nieuwjaar. Waarom lach jij altijd maar?" De lach verdween alsof ik er in prikte. "Waarom lach jij nóóit?!"
"Omdat men vaak de ingeslagen weg niet kan verlaten uit angst de zin te ontnemen aan het afgelegde stuk."
Meer hadden wij in 19NU niet te bespreken en sprongen opzij. Voor een neerstortende vonk, die een bom kon zijn.
Uit een opdoemend silhouet maakte zich een bekende los. Hartmut van foute ouders had in zijn fantasie al sinds zijn geboorte een uniform aan. Toen hij negen was heb ik met hem gewed voor vijf gulden dat hij nooit Rijkspolitieman zou worden, maar tien jaar later was hij die weddenschap tot mijn verbijstering vergeten. "Gelukkig nieuwjaar," voegde hij Joepie toe met droge stem. Omdat ik er nu eenmaal stond feliciteerde hij ook mij. "Zo, waar ga jij de komende tien jaar op stemmen," drong ik mij op.
"Op een wetenschappelijke raspartij," klonk het deftig. "Daar heb je niks aan," kamde ik hem af, "want in de politiek gaat het om een vervormde droom die aan anderen wordt opgelegd. Als je alle mensen even eerlijk vindt dan stem je socialistisch-" "Ik vindt ze allemaal even gemeen!" "Dan stem je kapitalistisch."
Ik slenterde over het paadje achter ze aan en hoorde er niet bij. Hartmut wierp een rotje tussen de benen van een groepje meisjes en schaterde tsjilpend. Voor die bakvissen moest de maanlanding van 1969 wel zoïets zijn als 'back to the future'.
Men had benzine in de traimrails gegoten en aangestoken maar niemand genoot er nog van.
In de hoop de vroegere vriendin van Lidewei tegen te komen liep ik langs het andere huizenblok terug. Op straat lag een kartonnen hulsje van een donderknal oranje en bedeesd op te branden.
Ik voelde aan mijn blote handen dat het vroor, ging naar binnen en deed de deur achter me op het nachtslot. In de kamer prijkte een vorstelijk slaatje. Achter het glas van de kijkbuis voerden artiesten de geslaagdste grollen van 19TOEN ten tonele terwijl een zaal uitbundig lachte.
De meeste Eigenheimers zaten te eten en praatten er doorheen. Ik ging bij het raam zitten, waar de vitrage reeds half teruggeschoven was, en plaatste m'n stoel zodanig dat mijn neef Jantje die een oliebol nuttigde, mij niet het uitzicht op het scherm ontnam, zonder dat ik echter voor de neus van tante Marie ging zitten. "Het eerste wat ik dit jaar doen ga is lijnen," stelde de laatste, een halve haring omvamend.
Ik diende haar van repliek: "Waarom zou je? Om met de ponden die je afvalt dik te gaan doen?"
Ik wist wel zo'n beetje zeker dat Lidewei, die immers een onloochenbaar feit was, zeker in de volgende eeuw, bij me terug zou keren als een eindeloos uitblijvende komeet die tenslotte echter frontaal nadert.
Mijn broer zat stil op het krukje bij de moederhaard.
Het nieuwe decennium voelde als een ziek kind dat schone lakens onmiddellijk weer onderkotste. Net of je ontsmette kleren aandoet zonder dat je eerst zelf van de schurft bent genezen.
Drs. Jantje ging nu rond met een zakrekenmachine. Elke droogkloot verstaat wel iets onder humor. Zoals er ook altijd wel een trommelvliesneukend gekrijs voorhanden is, afkomstig van het Nationaal Geluidsbehang Radio III, dat als muziek in je oren klinkt zolang je maar denkt dat het dat is. Op het kijkraampje van Drs. Jan's zakjapanner stonden letters in plaats van cijfers. "OLIEBOL", stond er. Hoe dat nu weer kon? Door het getal 7083170 in te toetsen en hem op zijn kop te houden. "Oliebol?" vroeg ik. "Ben ik dat? Of ben jij dat zelf omdat je een stropdas draagt van Greenpeace maar wel 180 blijft rijden?"
Er klonk nog één donderslag waarvan ik schrok. Mijn vader gaapte.
Een half uur later lagen Drs. Jantje en ik in onze slaapzakken op de zolderkamer van mijn broer, die zelf in zijn eigen bed vertoefde. Ik deed het dakraam open.
Mijn broer begreep dat het met elektriciteit te maken had. "Stop die stekker maar in het stopcontact van de bureaulamp," werkte hij mee. "Nee niet die van het kacheltje eruit trekken. Van de bureaulamp!" Toen de luidspreker op de dakpannen stond verbond ik de draad met mijn bandrecorder. "Kom maar op met je show," zei m'n broer.
Ik startte de band. Op het dak barstte een hel los van zevenklappers en fluitende meiden.
Ik moet altijd iets vasthouden in de tijd.
"Hè wat is dat nou voor een vervelend geluid?" vroeg mijn broer. Op het dak waren de gillende meiden overgeschakeld op een loeiend gezang. De onheilspellende uithalen van jankende wolven. "Christus," mompelde ik, "wat klinkt dat jammerlijk klagend. Verlaten door moeder Aarde." Mijn neef Jantje lag hardop te lachen: "Christus hangt aan het kruis hoor voor jouw zonden!"
"Ik ben wel religieus," vervolgde ik, "maar weet één ding: mijn godinnen zijn geen man." Drs. Jantje schuddebuikte: "En je aanbidt ze niet alleen op zondag?" "Nee, ik ben geen Zevendedagsadventist. Ik ga er niet over zieken op welke dag je de Schepster moet eren. Want de bron des levens vloeit door elk momentum. Zevendedagsadventisten zijn sexueel geblokkeerd vandaar dat ze elkaar miereneuken met geloofsartikelen."
Ik hoorde de echo's van de wolven terugkeren van het tegenovergelegen huizenblok. Eigenlijk was iedere show zonder Lidewei vergeefs. "Je gaat wel een beetje ver," mopperde mijn broer. "Die wolven zijn leuk, maar half drie in de nacht... Wil je nou last krijgen?"
"Met wie?"
"Met Pa."
Ik schakelde de bandrecorder uit, ging op mijn rug liggen en sloeg de handen in het donker om mijn gezicht. Niemand zei iets. Buiten zweeg 19NU als het graf. Ik voelde me ongelukkig en had het gevoel dat alles voor niets was. De luidspreker stond zinloos op het dak. Wat zou Lidewei nu doen? Merkten ze aan gene zijde iets van ons jaarwisselingstumult? Konden ze de hardste zevenklappers horen? Smeltwater biggelde mijn ogen uit.
"Ik heb de wolven uitgezet op aandrang van een burgerknaap," voegde ik mijn broer toe. "Ja van mij mag de buurt best slapen." Ik voelde een zekere verwijdering.
De jongens lagen beduusd in hun leger.
"Zeg..." fluisterde ik tot mijn broer, "heb jij als kleuter ook bij Oma Eigenheimer gelogeerd? Heb jij daar ook voor het eerst van je leven een wekker horen tikken?"
"Dat weet ik niet meer."
"Nou ik wel. Met vlak achter het slaapkamerraam die oude lantaren, een ritselende boom, aan de overkant hele stijle hoge daken, gestommel van beneden... en dat beheerste montere tikken van een grote ronde wekker, bedaard maar voortvarend, vol respect voor stilte maar wel bedrijvig, niet te snel doch geenszins lui, eeuwig, uitzichtsloos."
Mijn broer en neef zwegen. Ze dachten natuurlijk: die is gek. En zo voelde ik het ook. De nacht kroop als een slak het decennium binnen binnen. Het ganglicht dat bleef branden omdat logés anders de WC niet vonden hinderde mij. Als ik op mijn rug lag wilde ik op mijn zij. Het werd koud en het luchtbed liep leeg. Bij het omdraaien stootte ik tegen de vloer.
Toen ik als kind die wekker hoorde leidde ik als het ware mijn leven Ervoor.
En sinds Lidewei werd weggevaagd was het: Erna. Waarom voelde ik haar leven als een werkelijkheid terwijl ze er niet was? Omdat ik weigerde me te onderwerpen aan de tijd die alle wonden heelt?
Ik wist niet hoe laat het was toen mijn broer alsnog het woord tot me richtte, of riep hij het onbewust in zijn slaap tegen zichzelf?
"Nog twaalf maanden!"
Zeker, zeker, dacht ik, al is er natuurlijk een tijd van komen en een tijd van gaan.
WIM HEINS