Terug naar Verhalenoverzicht

ERGER DAN DE KWAAL (1982)

K ben zo stom geweest klakkeloos ja te zeggen toen mijn ex-vriendin me uitnodigde om Oudejaarsavond te vieren bij haar en de haren. Ik voelde meteen weer hoe gek ik op haar was geweest, in plaats van hoe gek ik vàn haar werd.

Aanvankelijk leken haar vrienden me te accepteren als een bekende. Wanneer ik wat zei werd er even geluisterd en er werd even nagedacht en dan werd er antwoord gegeven of er werd gelachen. Mijn ex-vriendin bemoeide zich in het geheel niet met me en ik merkte zelfs dat ik me steels uit haar blikveld terugtrok en dat ik me om de één of andere reden schaamde.

Onder het eten praatte ik met één harer vriendinnen, Jolanda, die naast me zat. Snel en lachend legde ze uit welk onderzoek ze deze winter bij 50 graden Celsius in de Derde Wereld uit ging voeren. De schilferluis op de dadels werd onvoldoende bestreden door de lieveheersbeestjes en nu leek het uitzetten van meer kleefvliegen haar een effectieve remedie. Zal ze zich daar in de Derde Wereld niet eenzaam voelen? Nou het is een stad met vijftienduizend inwoners dus... dan hoef je je niet eenzaam te voelen hè. In één adem vervolgde ze tegen de andere aanwezigen: "Ik heb vanmiddag permanent in Madelein d'r haren gemaakt!" welke mededeling werd opgevat als volwaardig en belangwekkend nieuws.

Omdat ik sterk het gevoel had dat mijn contact, zojuist met Jolanda gelegd, nog zeer onvoldoende was probeerde ik me er onmiddellijk weer in te mengen door te vragen hoe ze dat dan had gedaan. "Door de zwavelbruggen tussen de eiwitten los te maken en in een andere vorm weer vast te zetten." "Heten dat soms..." vroeg ik nu, "quarternaire bindingen??" "Ja, quarternaire bindingen," gaf ze toe.

Ik werd even heel blij dat ik dat dus wist en dat ik nu ten volle als gelijkwaardig geaccepteerd zou worden. De haren van Madelein waren overigens van dien aard dat ene Geert, die trouwens ook veel met Jolanda vrijde, daar de hele tijd in moest ruiken. Madelein was een uiterst beweeglijk en poezelig wezentje dat met haar neusje van achteren over de wangen van haar vriendjes kroop. Ze wou vanavond met deze Geert "sketches" op gaan voeren en liedjes gaan zingen.

Onder het eten begon men steeds meer over tropische landen te praten waar allerlei vrienden zaten alsof ze het over een dorp in de provincie hadden, waarbij ik impulsen kreeg om naar andere punten in de kamer te gaan staren. Naarmate ik mijn blik meer op oneindig ging zetten besefte ik dat ik bezig was mijn evenwicht te verliezen.

Na het eten ging ik in een hoekje van de bank zitten terwijl het zusje van Jolanda in gesprek raakte met ene Bart-Jan Arts, die op het conservatorium werkte. Ze hadden het over verschillende soorten van geschiedenisonderricht bij verschillende vakken. Bijvoorbeeld die broer van Geert, zei Bart-Jan, "die weet geen zak van kunstgeschiedenis af maar wel een heleboel van sociaal economische geschiedenis."

Het meisje: "Wij hebben ook keuzecursussen bijvoorbeeld over het thema hexen. Daar heb je niks aan een docent sociaal-economische geschiedenis." "Nee daar moet je middeleeuwen voor hebben!" riep Bart-Jan, maar ze vond dat je er dan ook nog maar weinig aan had.

Men zette een glas wijn en een punt krententaart voor mijn neus waar ik me gelukkig enige tijd mee bezig kon houden, ook al lustte ik geen krenten dus toen het schoteltje vol was smakte ik die in de prullenbak van een aangrenzende studeerkamer. Ik ging aan tafel zitten bij mijn ex-vriendin en drie meisjes om foto's te kijken. Nadat ze me een kwartier genegeerd hadden nam ik weer plaats op de bank.

Nu trad ik in gesprek met het zusje van Jolanda. Zodra die mij met haar volle gezicht aankeek zag ik dat ze te mooi, te harmonisch en te sympathiek voor mij was. Jolanda had trouwens ook nog een ander zusje, dat ik echter weer te lelijk vond. Een belediging als die verliefd op je werd. Maar dat hoefde ik niet te vrezen want van huis uit was haar zelfgevoel en waardigheid tien maal groter dan de mijne.

Nadat men het over zijn studierichting had gehad op een manier die me de indruk gaf dat mijn eigen familie maar uit passieve, afhankelijke, weinig ambitieuze niets ondernemende individuen bestond, werd overgeschakeld op een ander onderwerp uit de studentenalmanak: danstenten. Jolanda's zusje wist in Amsterdam maar één goede rock-tent. Bart-Jan vertelde, als er van die punks binnenkwamen dat hij zich dan niet meer op zijn gemak voelde.

Ik dacht eerst: wat meten ze ieder onderwerp breed uit, waar wachten ze op?? Maar toen realiseerde ik me dat ze het natuurlijk gezellig vonden en dat gezelligheid geen tijd kènde. Ik besefte dat ik uiteraard niet was aangesloten op een soort collectief kacheltje.

In de tijd die nog resteerde tot Wim Kan geraakte ik in een zodanig onderkoelde gevoelstoestand dat ik moest denken aan de narcose waarbij het energieniveau dermate daalt dat de patiënt er niet meer uit kan komen.

Ik weet nog hoe ik als vierjarige, op het verjaardagsfeestje van mijn benedenbuurmeisje, zomaar in huilen ben uitgebarsten. Op het feest waar ik nu zat kon ik dat uiteraard niet maken. Daarom snoerde ik mezelf in met de verstrakkende knevels van uitdrukkingloosheid.

Ik voelde me steeds meer in het nauw gedreven alsof er nergens meer lucht in de kamer was. Ik kreeg op de bank even weinig adem als aan tafel waar men foto's keek. Met andere woorden: er ontstond een druk in het vertrek, zeg maar van stikstof in plaats van zuurstof, die mij steeds meer aandrang gaf om het huis uit te rennen. Maar je kunt op Oudejaarsavond niet zo maar weglopen. Ik bleef dus hangen op een onderdrukt en uitdrukkingloos peil. Krampachtig zette ik mij in een hoek, lijdend onder koliekachtige scheuten schaamtegevoel. Ik trachtte het allerergste, de allerzwaarste vernedering, namelijk vluchten, minuut op minuut uit te stellen.

Eindelijk was het tijd voor Wim Kan. Dat betekende dat ik me 65 minuten lang onopvallend terug kon trekken. Bart-Jan Arts had er "vandaag nog speciaal op gelet" dat de conférence niet zou worden uitgezonden op het kanaal dat hier in huis kapot was. Maar op de afgesproken tijd maakte de bedoelde zender niet in het minst aanstalten om Wim Kan door te laten komen. Toen na tien minuten werd overgeschakeld naar het kapotte kanaal was Kan daar al lang en breed aan het werk en wij konden hem zelfs gadeslaan in drievoud.

Ik zat als een nog zwetend lijk op de te volle bank geklemd. Kennelijk heeft lachen meer te maken met één of andere emotionaliteit dan met gevoel voor humor. Anders zou dit gezelschap toch hebben onderkend op wat voor oubollige en zelfingenomen wijze Kan zichzelf stond uit te verkopen en dan zou men niet hebben geproest van het lachen maar van het huilen.

Nog tronend met de air van meesterschap volgden goedkope en puberse flauwiteiten elkaar in snel tempo op en deden pijn aan mijn oren terwijl mijn omgeving sidderde van vrolijkheid.

Nu ik zelfs door de belachelijkheid niet tot een lachje te bewegen was, keurde mijn ex-vriendin, tegen wie ik zat aangeplakt, mij af en toe een verwonderde blik waardig.

Na Wim Kan volgde het pijnlijkste gedeelte.

Ze gingen zingen.

Bart-Jan Arts kon alles direct uit zijn hoofd op de piano spelen alsof hij een grammofoonplaat opzette. De aanwezigen wisten de liedjes van "Ja Zuster Nee Zuster" nog allemaal van buiten. Ik zat bewegeloos op de grond tegen een kastje. Jolanda kwam heupwiegend op me af en schepte me met een stralend meezinggezicht een bordje huzarensalade op die ze die middag samen met mijn ex-vriendin had klaargemaakt.

Er was een bepaalde schommeling in mijn gevoel waarbij ik aan de ene kant steeds bang was mee te moeten zingen, en dan door de mand zou vallen omdat ik dat zou weigeren - en waarbij ik aan de andere kant schommelde naar de gedachte dat je je daar immers niet voor hoefde te schamen. En dat je het zelf bent die jou op je nek zit.

Terwijl ik de ergste ogenblikken doormaakte traden de slungelige spookverschijningen van bepaalde familieleden mij spontaan voor de geest. Als ik dan tegen mezelf zei dat het hun voorbeeld was waaronder ik gebukt ging dan helde ik weer over naar een zekere ontspanning. Als er weer een golf beklemming en vernedering was weggeëbd dan ging ik eens na hoe het gebeuren in de kamer eigenlijk op me af kwam. En dat was: als milieuhinder en geluidsoverlast.

Terwijl ik de pianist bewonderde bedacht ik ook dat het toch maar een zeldzaam arrogant en over het paard getild gozertje was met zijn dunne muizekop en zijn neerwijzende neus. En dat meisje met parmanent, Madelein, vond ik toch maar een buitengewoon ergerniswekkend uitsloofstertje. Ze ging met Geert "sketches" doen. Het stelde niks voor. Ik keek ze nors in de ogen met een sombere afkeuring. Godverdomme wat waren ze vervelend.

Geert voerde met Jolanda een barokke tango op, vol foutjes die er niet toe deden. Het hield niet op. Wat duurde de tijd eindeloos lang. Aan het eind van ieder nummer hunkerde ik naar het dichtklappen van de pianodeksel. Maar nee, gezelligheid kènt geen tijd.

Ik zag soms videobeelden in mijn hoofd van enkele voorouders en familieleden die op bruiloften en partijen midden tussen de feestgangers liepen te braken. Als kind wist ik niet beter, en nam ik aan dat ze lichamelijk ziek werden. Later schreef ik het toe aan onbekendheid met alcohol. Eerst nu zag ik in dat de klapstuk van onze familieschatten bestond uit een veto op ongedwongenheid. Ik voelde dat ik een waardig vertegenwoordiger was om het familiewapen voort te dragen en dat ik het aloude voetspoor volgde. Bijvoorbeeld als Geert, die zo oneindig braaf en padvinderachtig schoolliedjes zat te zingen, mij zou vragen om de tweede stem te neuriën, dan zou ik mijn zojuist ingenomen huzarenslaatje op staande voet midden in zijn stomme onderwijzerachtige...

Geert wilde dansen met mijn ex-vriendin.

Toen hij een soort Weense wals met haar deed begon ik plotseling iets te voelen. Alsof mijn hoofd weer volstroomde. Terwijl ze slingerend en spontaan met de jongen aan het zeulen was voltrok zich een proces waarin ik er weer bij ging horen. Waarom voelde ik vreugde? Vanuit welk echt gevoel riep ik "bis" zonder vrees dat men mij zou betrappen op een onbeholpen poging mee te doen? Er ontstond een gedachte van verklarende aard in mijn hoofd waarvan ik niet zeker wist of het een constructie van mijn denken betrof of een innerlijke werkelijkheid. Namelijk deze:

"Ik word nu blij omdat ik toch een moeder heb die mij het voorbeeld geeft, ik hoef niet alleen want zij weet de weg."

Rillend van afkeer stond ik om 12 uur, afzijdig van het groepje, buiten naar het weinige vuurwerk te blikken dat door deze of gene in de straat werd afgestoken. Mijn feestgenoten namen de gelegenheid te baat om elkaar nog eens bij wijze van nieuwjaarswens in alle uitgebreidheid te omarmen en te aaien.

Zo welgemoed mogelijk schoof ik op door de straat en begaf mij tussen de families van vreemdelingen die zich vertoonden in de nachtelijke nieuwjaarslucht en al wat ik daar tegenkwam was de veiligheid van lulligheid.

WIM HEINS

Terug naar Verhalenoverzicht