Terug naar Verhalenoverzicht

INCARNEREND VERHAAL (1983)

P een morgen met bladeren vastgevroren in plassen, toen de Noorderwind een wit gordijn van zijdelingse sneeuw voor de wereld langs trok en er ergens een ventje achter een raam naar boven tuurde om te zien tot hoe ver hij de vlokken aan zag komen, toen ontstond er plotseling een geelwitte opening in het wolkenmassief en daardoorheen daalde een bundel ondervindingen en claims op beter leven neer (of een scheppingsimpuls of een wolk gedachten die een eigen leven waren gaan leiden), kortom een verhaal op zoek naar een vertolker en niet van plan om als orgelconcert te incarneren in een piccolo.

Het zou zich een doorluchtige rang van wasdom en vrucht verwerven aan de hand van een meester; als een klare stem zou het gaan weerklinken met de natuurlijkheid van zon.

In diezelfde streek woonde een jonge held die besloten had geen kinderen te verwekken dan gedrukte verhalen, en dat kopij zijn zaad zou vormen. Terwijl zijn kinderen van de rotatiepers zouden afrollen diende er in tegengestelde richting een klaterende stroom guldens toe te rinkelen, domicilie kiezend op zijn girorekening.

De jonge held had juist de inleiding van zijn eerste boek geliquideerd in het volle besef dat een verhaal weliswaar een plant was waaraan loten konden uitgroeien en verschrompelen - overigens aantonend dat de woorden van de taal dus niet de exacte overlapping vormden van de inhoud, net zo min als de takken de overlapping vormden van het sap - maar dat men echter onder geen beding vervallen mocht in tuchteloze breedsprakigheid. Een inleiding diende slechts voor de schrijver om op gang te komen en vertrouwd te raken met de golf. En daarom diende deze, hoe pijnlijk ook, met harde hand te worden weggekrast.

"Vooral een inleiding die duizend tranen en levens hoovaardig meent te mogen samenvatten," zo pende de held terloops, "is een hemeltergend vergrijp tegen de muze en een misbruik van de taal want men dient de ijlende waanzin te schilderen in plaats van af te doen met een term als delirium tremens. Beelden spreken tot de verbeelding, scheppen saamhorigheid, maar samenvatsels overbelasten de geest en verspillen zijn kracht."

Daarop werd de werkkamer vrijpostig binnengetreden door het verhaal, dat zich niet van de onbescheidenheid onthield om met de jonge held mee te lezen toen deze nog aan zijn inleiding toevoegde: "Kunst is omstulpte stilte, maar in columns over de crisis in de welvaartsbeleving heerst chaos, eventueel rochelend ritmisch zoals op Radio 3. Wie dit schrijft is gek."

Tenslotte schrapte de held ook al deze zinnen. Het verhaal wendde zich balend af, alles behalve bereid terecht te komen bij één essayist.

Zo belandde het verhaal bij het ventje voor het raam, dat tegen de sneeuwvlokken in met alerte geest ten hemel blikte, en accepteerde het als zijn meester.

Op school vroeg de juffrouw wat de kinderen wilden worden. Nu is de emancipatie vandaag de dag andersom. Vrouwen worden tegenwoordig in bed lekker het eerste klaargemaakt zodat zij dus nu in slaap vallen. En in de klas zeiden alle jongens natuurlijk dat ze kraam-man wilden worden en alle meisjes riepen: "Brandweervrouw!" Alleen dat ene gozertje antwoordde: "Schrijver".

Tien jaar later doorliep het een schriftelijke leergang op dit terrein en vrat zich welwillend door de opdrachten heen. Het oefende braaf in humor, horror en verhalen voor eenvoudige mensen, al stak het er weinig of niets van op. Hoogstens herkende het lachend een naargeestig genre op de televisie of het was een keer angstig in een stervend bos, maar daarna zonken die indrukken weg als water in de woestijn. Het enige wat altijd wilde worden opgeschreven was dat het ventje meer dan één keer leven moest en dat het geboren was samen met háár die zijn vroegere bestaan had gedeeld, om opnieuw te trouwen, en om haar tegen te komen in dezelfde straat, op dezelfde school, op hetzelfde werk, maar dat beiden evenwel beschadigd waren in het vermogen tot herkenning en dus voort moesten leven met het gevoel voor zichzelf iets achter te houden, totdat de overgang eindelijk hun maskers weg zou nemen.

Toen het ventje gedurende een kwart eeuw manuscripten over dit onderwerp had terugontvangen, begon het met kortere verhalen, die alle correct werden geretourneerd, behalve de laatste maal. Toen ontving het kereltje niet zijn eigen verhaal terug, maar een nog verder ingekorte navertelling, vervaardigd door de redactie van een blad voor hobbyschrijvers. Het werkje bleek in één adem door vertaald te zijn naar een geheel andere, leutige stijl. Men bood zakelijk aan het verhaaltje in deze vorm openbaar te maken. Het ventje gebruikte dit gekortwiekte voorbeeld evenwel om elke zin terug te leiden naar de eigen weemoedige verteltrant. Het wees de redactie erop dat het zijn eigen woorden klaarblijkelijk op goudschalen woog.

Het had de carnavaleske vertaling ervaren als een consequente stroom valse tonen in een van oorsprong zuivere melodie. Het ventje verbood de redactie grimmig om ook maar enige andere versie van het verhaal te publiceren dan de korte terugvertaling, waarop bericht werd dat het blaadje bedoeld was voor beneden de Moerdijk en niet voor waterlanders en dat ook de korte weergave geweigerd werd.

Nadien schreef het ventje nog meer versies, die het echter tot op de huidige dag verzuimde in te sturen naar enig adres.

Van het verhaal wordt thans niets meer vernomen.

WIM HEINS

 Terug naar Verhalenoverzicht