Terug naar Verhalenoverzicht

IRA KEEREWEER (1987)

EHAD VAN IRA KEEREWEER, stond er voorin het uitpuilende adressenboekje.

Vervallen kennissen schreef Roland niet over in zijn agenda 1988. Bij de K van Keereweer gekomen overwoog hij ook Ira te laten rusten in de vergetelheid van haar vroegere geschenk. Nee dat gaf een gevoel van haar in haar vet laten gaarsmoren.

Roland schrok, als van de wekker.
Was de telefoonbel door hèm zo frêle afgesteld, of deed een opbelster iets aan de rinkel toe?

In de hoorn zei een schorre tevens glasheldere stem:
"Dag Roland, met Ira Keereweer, ken je me nog?"

"Ik schrijf net een adresboekje over van jou! Vierkant en zilver."

"O ja, uit Saane, bij Krishnamurti. Gekocht in Chez Nathalie".

"Het heeft tien jaar trouwe dienst vervuld."

"Ik wou iets vragen over sterven. Als je je lichaam verlaat, word je dan besprongen door demonen?"

"Ira... Ben je daar nou nog al over... Luister nou toch, ook jij bent opgenomen in een geestelijk netwerk. Anderen, hetzij uit dit, hetzij uit vorige levens nemen een toestandsverandering bij jou waar en halen je af als je overgaat!"

"Maar als het nou negatieve geesten zijn die zich vermommen!"

"Gooi dat Tibetaanse Dodenboek nou eindelijk in de kachel! Hoe negatiever je denkt hoe erger je het maakt!"

"Ik ben zo bang in dit gat."

"Zal ik nog eens komen. Morgen?"

"Kom je dan eten? Wat lust je?"

"Prei."

Roland kon het huis na zoveel jaren niet vinden. Hij liep wel tien bruggetjes over om in de schemer met zijn snufferd vlak voor de huisnummers te kijken tot waar hij was. Ira's woning op nummer 99 ging schuil achter een groepje zwijgend toeziende sparren. Slingerplanten wikkelden zich langs de ramen.

In een geel schijnsel achter het matglazen ruitje verscheen een vrouw.

Ira deed open; molliger geworden. Blauwgroen getekende wenkbrauwen. Meerminnelokken om haar hoofd gewikkeld. Roland drong onmiddellijk met zijn vingers tussen het dikke haar.

"Kom," zei ze, "blijf een nacht."

De schemerrijke tafel van wand naar wand stampvol varens, waarboven lampen hingen met kapjes die kant nabootsten in glas, had plaats gemaakt voor een warm verlicht houten bureau; op de grond een rij tijdschriftenhouders.

Midden in de kamer stond nog een magere kerstboom, beknopt versierd, met een piek die jammerlijk scheefgroeide tegen de zoldering.

In plaats van de donkerblauw aanlopende planken vloer met de sombere tint en een eenzaam bankje, te krullerig om comfortabel te zitten, lag er nu een rood tapijt met lage tafel in de hoek, waarachter zitjes. Roland nam plaats aan haar voeten.

"Wat vind je van mijn schilderijen?"

Zijn blik ging van werk naar werk. Een figuur onmetelijk nauw omgekeerd opgehangen in een stam. Een figuur onzegbaar verwilderd als kroon van een boom. Een figuur wanhopig als een brand. Een schilderij met het begin van een gedicht over gebrek aan eeuwigheid dat daaronder was afgemaakt in woedende vegen.

Ira bracht niet de concentratie op zijn antwoord af te wachten. "Wat ik in godsnaam aanmoet met die ellendige middagen... Voel jij je wel eens eenzaam?"

"Je ziet alles ongenuanceerd. Kijk niet zo zwartwit. Denk eens aan de dieren. Hoe gaat het met dat poesje Catty?"

"Die is dement en heeft staar."

"Hij kent me vast nog wel."

"Welnee, die ziet geen fluit. Weet niet eens meer dat hij leeft."

Het beest kroop tevoorschijn en knorde onder Rolands hand.

"Ik ben vet geworden."

"Je ziet er heel zacht uit."

"Ik voel me keihard."

Hij aaide met de rug van zijn vinger haar mondhoek en zei: "Maar hier ben je heel lief, mollig." Hij ging de radio verdraaien. Ze kwam vlak voor hem staan. "Zal ik al eten maken?" Hij omarmde haar. "Je ruikt nog net als vroeger," zei ze. "Waarnaar dan?" "Naar Roland." Hij pakte haar hoofd en zoende hongerig met open mond. Ze liet het zich welgevallen en beende naar de roodbruine kombuis. "Hoe maak je prei? Ik zal erg mijn best doen. O wacht, ik weet het procédé al weer."

Ze had een zwartwit geblokt kleed op de keukentafel. Naast de borden lagen zwartwitte servetten. Kaarsen stonden klaar.

Na de maaltijd trok hij haar op schoot. "Weet jij wat een schizofreen is?" Roland keek half verstoord, half geleerd.

Ze gaf zelf antwoord: "Dat is een beest dat geen beest mag zijn."

"Daar blijkt uit dat normale mensen beesten mogen zijn."

"Ik word nooit aangeraakt," klaagde ze verdoold, begon te hijgen en sprong naar de aanrecht, om de zelfgemaakte appelmoes te pakken. "De psyche van de vrouw zit anders in elkaar dan van de man," murmelde ze. Hij proefde aandachtig van de moes en keek na vijf schepjes op. "Wat bedoel je, de psyche van de vrouw?" "Ja dat stond in Bres, ik weet niet meer. Heb je weed bij je?"

Hij knikte.

Ze gingen een verdieping hoger. Ira toonde hem een kleine, verzorgd uitziende kamer met zwartwit geblokt behang. Achter een strijkplank leunde een twijfelaarsmatras tegen de wand.

Ze wees op een ruime bedstee, aangenaam beige. "Dat is je holletje."

De raamkozijnen verdeelden het glas in kleine ruitjes. Eén daarvan had ze uitgeslagen. En er weer een houten luikje voorgemaakt, dat met een grote gouden haak kon worden opengehouden en met een kleinere gouden haak dicht. Er zat met kleine gouden spijkertjes groen gaas voor omdat anders Catty zou ontsnappen.

Hij liep terug naar de lichte, behaaglijk warm gestookte zoldervloer waar haar ruime bed was gepositioneerd. Ira trad in een hemelsblauw slipje en BH onder een lamp. Hij vond haar bekoorlijk. Ze voelde zachter dan vroeger, maar nog steeds of ze eigenlijk niet paste in zijn armen hoewel ze er moeite voor deed. Ze hijgde en maakte zich los.

De radio behandelde akelige problemen. Dat bracht haar het hoofd van streek. "Doe dat onheil uit," zei Roland, "dan draai ik een weed."

Ze lag als op een ouderwetse pornofoto in bikini te roken.

Hij zat naakt op de rand van haar bed. Uit zijn joint stak een stokje met aan de top brandende blaadjes waarvan hij het psychedelicum kennelijk niet inhaleerde. "Misschien merk ik er nooit wat van omdat ik het meteen uitblaas," zei Ira. Roland knikte, zwijgend, want hield de kostbare smog zo lang mogelijk binnen. "Het duurt even voor je merkt dat het werkt," antwoordde hij toen het uitgeademd mocht.

Ze lachte naar hem - toe of uit - dat vroeg hij zich tien jaar geleden ook af.

"Vind je me geen varken?"

Hij boog zich over haar heen en zei tussen kusjes door: "Nee, Ira, je bent geen varken! Dat mag jij nooit meer zeggen hoor, over jezelf." "Ja weet ik wel," zei ze zacht.

Ze gebood hem aan haar borsten te liggen teneinde comfortabel te kunnen roken. Wat was zij traag met zo'n stick. De zijne was weggevlamd. Toen ze hem eindelijk uit had omvatte hij haar met zijn hele lijf. "Wat een lekker zacht bedje," zei ze komiek.

Hij greep met zijn bovenbenen om haar dij. Ze schommelden heen en weer met haar been als as. Ira hijgde en begon te grommen. Plotseling gealarmeerd als het ware wakkerschrikkend krabde ze zich van hem af. Dat was waar ook: haar kat deed exact zoïets.

Ze kwam tot zichzelf en ontstak een peuk. Zwaar in gedachten lag ze op het kussen. "De sigaret is mijn concurrent," mompelde Roland.

Haar lach was door het vele roken vervormd tot gestoord hoorspelgeluid toen ze uitriep: "Dan hèb je er tenminste één." Hij dacht na en keek haar weer aan. "Dan heb je tenminste nog een concurrent!" Nu keek hij 180 graden achterom. "Wat zie je?" "Niks. Ik laat je humor inwerken." "Ja het is een doordenker."

Roland volgde met zijn vinger de kreek die zich uitstrekte van haar nek langs haar ruggegraat tot onder haar bekken en bij elke centimeter wist hij wat ze voelde. Zijn hand draaide om haar billen heen naar haar buik. Hij wist dat nu haar schouders hongerden. Ze antwoordde als hij haar zoekend omklemde met hijgen en dansen. "Ik adem heel diep!" juichte ze schor.

Hij keek haar aan.

Ze begon rochelend te proesten. "Ik vind dat het eigenlijk wel eens tijd wordt voor een pruim," hoorde Roland haar zeggen.

"Ik denk dat ik maar eens pruimtabak ga kopen. Dat is veel gezonder Roland! Ik heb de leeftijd, om met lang haar..."

Hemel, dacht hij, drugs bieden geen voorspelbaar toneel; het is een hinderlaag, ontluisterend verraad.

"...in de tuin te zitten, en de hele dag te pruimen."

Ze deed het voor en maakte een links-rechts beweging met haar onderkaak.

Hij kneep zijn ogen dicht en schudde heftig nee.

Ze lachte hem uit. "Walg je van me?" vroeg ze gretig.

Even later verwonderde hij zich onder het vergrootglas van de marihuana over elke beweging. Haar woorden waren cynisch, maar als hij haar in zijn armen klemde waren zijn gedachten met lijf en leden verstrengeld en werden fysiek beantwoord.

Ze aaide met twee handen tegelijk over zijn rug en vroeg: "Voel je verschil tussen links en rechts?" "Ja de vingers van je linker hand hebben zachte luchtkussentjes. Je rechter maakt een afwezig slepende beweging." "Dat is mijn goeie hand. Die andere pols heb doorgesneden. Daar kan ik niks mee voelen."

Ira schoot gealarmeerd overeind. Van buiten het huis klonk onverstaanbaar, sarrend luid gezang met de geestdrift van naamloosheid die zich spiegelt. "Die zijn dronken! Ik ben altijd zo bang!!" Ze schokte van een knal beneden haar raam. Roland dacht: "Weedhalmen wuiven, geen flitsend staal." "Vuurwerk," constateerde ze, alsof benoemen bezwoor. Zienderogen zwalkte de brallende zang naar elders.

"Maak het niet erger Ira," suste hij. Zijn tong groef weer door het struikgewas tussen haar dijen in de natte grond. Als hij haar likte, wreef, aaide en bij zich drukte duurde het wel minuten, schijnbaar uren voor ze zich haar nicotineverslaving herinnerde.

Dan lag hij vlak op bed en zij leunde op een elleboog. Van aan haar borsten keek hij naar haar sigaret. De as viel niet in zijn ogen.

"Wat zeg je Ira? Ik ben door de weed al weer vergeten wat je zei hoor." "Laat maar!" proestte ze, "laat maar!"

De volgende morgen liep ze met hem mee. "Een vriendin van me heeft een homofiele buurjongen die boodschapjes voor haar doet." Hij voelde dat haar nood hem bezwaarde. Ze gingen de wachtkamer van het busstation binnen. Ze zag er eenzamer uit, haar wenkbrauwen schraal. "Waarom ben je zo stil?" vroeg ze. "Mijn energie is op." "Je hebt toch lekker geslapen?"

Hij zweeg en vond zich onrechtvaardig. Niet fysiek moe; er was iets ongrijpbaars dat zijn aandacht uit had geput.

"Kom je het nog's overdoen? Als je eens wil relaxen, kan je in de bedstee slapen... Misschien bel ik over tien jaar. Dan kom je weer een keer."

Hij wist geen antwoord. De bus verscheen.

Zij gingen elk hun weg.

WIM HEINS

Terug naar Verhalenoverzicht