Terug naar Verhalenoverzicht
JAN P. TUSSEN TWEE VUREN (1978)
EN koude douche van overweggerinkel klettert uit de wekker van Jan P. te Praag. Gisteren had hij het monster met de twee fietsbellen aangekocht in een zijstraat van de grote Narodni. Hij spert de ogen, naar hij meent, wijd open. De staart van het belgeklater zwiept langs zijn hoofd. Nu er weer stilte heerst merkt Jan alleen zijn wenkbrauwen maar op te trekken. Zijn ogen zijn nog potdicht.
Hij moet zich straks naar het station slepen en met de trein naar Marianske Lazne. Jan P. blijft apathisch liggen. Welke tijdsspeling heeft hij ingecalculeerd toen hij de wekker zette? Een half uur?
Dan forceert hij zijn ogen open. Het gordijn lijkt een lampekap want buiten brandt de zon. Vanuit de dakkapel kan hij de brug over de Moldau met de patriarchale bezwerende beelden zien en daarachter nog de torens van het Hradsjhin, alles vanwege het tegenlicht in silhouet. Zodra hij het gele vocht uit de po over de aarde giet beginnen de planten ontsteld te bewegen. Het ontlaadt spanning in de kurkdroge aarde.
Koud en zweterig beent hij naar het station.
Glooiende dalen van Noord-Bohemen, gerestaureerde burchten, wouden deels uitgehakt voor steengroeven, zomerhuisjes van oudere kameraden en kunstmestfabrieken die Jan's keel doen ontsteken.
Op het station van Marianske Lazne hangt een indringende geur van bruinkool en lysol. Hij voelt zich misselijk. Het interesseert hem weinig of ze hem halen. Hij heeft een hekel aan het leven.
"Ahoi, welkom in Marianske Lazne!" Oom Pavel Pelikan heeft zich met schriftelijke cursussen opgewerkt tot districtssecretaris van de Communistische Partij en beschikt over een tweetakt. Tante Marta Pelikan ziet er al oud uit en wordt bijeen gehouden door een mantelpak.
De wagen kronkelt langs afgronden. Zwarte rook uithoestende Tatra's en pruttelende Trabants maken capriolen op de tweebaans dodenweg vol kuilen. In de diepte schimmelen bossen tussen gele schoorsteenrook. Jan heeft branderige ogen. "Vannacht zijn er twee kalveren met hun poten..." zegt Tante, "vastgevroren aan de roosters. Ze werden als diepvries naar het slachthuis gebracht." "Dat is het goedkoopste," valt Oom bij, en tot Jan: "Heb je nog steeds niks gehoord van het herwaarderingsonderzoek?" "Ik mag nog steeds niet studeren vanwege mijn klassecriteria. Volgens artikel 98 van de Strafwet heb ik nu eenmaal de Republiek ondermijnd. Ik moet echt tot mijn dood wasgoed naar de desinfecteerinrichting rijden en lijken naar het knekelhuis. Logisch, de ambtenaar die dat regelt wil ook zijn luizenbaan niet kwijt."
"Kňm kňm, je bent toch niet kaltgestellt vanwege die ene demonstratie? Kun je ze niet omkopen?" "Misschien kan ik binnenkort een partij westerse condooms betrekken." "Ja dat is beter dan binnenband."
Hangerig volgt Jan P. Tante Martha langs de bakken met geraniums over de drempel.
"Eet niet zo gulzig en luidruchtig jongen," wendt zij zich even later tot haar neef. "Hoe oud ben je tegenwoordig, kan je nu nog geen manieren?"
Het dringt tot Jan door hoe hij nog altijd schrokt: gedreven, grenzend aan paniek, en slechts nu en dan jachtig opziend naar het aanrecht, waar de puissante poes zijn maaltijd ook niet langer onderbreekt dan voor een tersluikse blik.
Van de eetkeuken verplaatsen de mannen zich naar de kamer.
Oom pakt een rode jerrycan uit de kast en schenkt twee glazen zelfgemaakte wijn vol die leegstorten op het vloerkleed. Vallen ze om? Lopen ze over? Zit er geen bodem in? Ontgoocheld blikken de borrelaars naar de roerloze, zongerijpte plas donkerrood bloed op het tapijt. Seconden van glanzende stilte duren voort. "De luister," verklaart Jan, "en laatste schittering van een kortstondig hoogtepunt." Uit de wegzakkende vloeistof doemt weer de nuchtere realiteit op van een versleten kleed. Zodra Tante Marta gewaar wordt wat de jongens hebben uitgespookt beent zij in haar hobbezakkige jurk terug naar de keuken om de zoutpot te pakken voor het draineren van de volgezogen plek. "Drie maal scheepsrecht Pavel," bitst Martha niet verdrietig maar boos. "Drankorgel. Binnenkort doe ik azijn in je kruik of iets ergers. Wie niet horen wil moet smaken."
Zodra ze weer in de keuken vertoeft herneemt Oom: "De moffen zeiden 'Arbeit macht Frei' maar ze bedoelden: alcohol. Mijn vader werd er ook door ontwapend. Op een keer was hij zo vrolijk dat hij het buurjongetje de lucht in wierp, maar omdat hij te veel op had kon hij niet meer vangen en sindsdien is het kereltje arbeidsonbekwaam."
Vanuit de logeerkamer ziet Jan een scherp gepunte, enigszins verblindende maan, flirtend met een parelende ster. In de diepte spoedt zich een trein door de nacht als een glimworm met de duivel op zijn staart. Ongemakkelijk slaapt hij in.
De volgende dag wandelen Oom Pavel en Jan door Marianske Lazne onder de rijk geornamenteerde gevels van reeds lang ontslapen handelsgeesten en recent heropende kerken met uit de kerker teruggekeerde doodbidders. Alles is opgeknapt in romige pastelkleuren vanwege de rijke historie voor de toeristen. Kleine straatsteentjes in tientallen mozaďeken vormen een straf voor de voeten. Op het plein schoolt een buslading Franse toeristen samen voor een gebouw van het Apparaat met een overtuigd prijkende hamer en sikkel. Chaotisch miezerende popmuziek dreint reeds naar buiten uit een volkscafé als voorproef op de messiaanse verwachting van westerse gelukzaligheid.
Jan's oog valt op een vrouw in een verschoten spijkerbroek, barrevoets en van boven ontkleed behoudens een zwarte BH. Zij bezit reuzeborsten die kletsnat zwellen en mat donker haar dat met een groffe scheiding in het midden venijnig neerwaarts steekt. De neus is recht en te groot. Om haar in beginsel zinnelijke mond woekeren puisten. Haar nattige ogen zien wervend rond.
Plots zet ze een rode jerrycan aan haar mond, steekt een fakkel aan, neemt afstand, en braakt de vloeistof met alle kracht weer uit. Schuin boven haar blaast zich een oranje vuurballon op die driemaal zo groot wordt als zijzelf. Het maakt hetzelfde geluid als wanneer je krachtig een laken klopt, hoewel vertraagd. Zodra de gasbal ontploft spreidt zich een tent van benzinestank over het plein uit. Jan staat vastgenageld van mededogen. De artieste blijft lachen, drinkt weer uit de rode jerrycan en stoot opnieuw een vulkanische steekvlam naar buiten waarbij een hittegolf de omstanders tegemoet deinst. Dan wendt ze zich met een omgekeerde zonnehoed tot de mensen.
"Qu'est-ce que votre médécin en dit?" vraagt Oom in zijn beste Gallisch. "C'est mon travail!" roept ze. "No médécin! Please one dollar." Ze is dichtbij. Jan voelt de zinsbetinteling van benzine in zijn neus. Haar borsten glimmen als het plaveisel van een pompstation. De pigmentloze vore van een genezen messpoor strekt zich uit langs haar naveldal. Ze keurt Jan een onderzoekende blik waardig, in haar ogen een dooiend ijs en een wildheid die hem boven zijn kunnen gaan.
Oom kijkt om zich heen en stopt haar vijftig dollar toe "pour votre médécin" in ruil echter voor haar rode jerrycan met benzine.
De volgende morgen rusten er dichte nevels over de stad alsof de wereld zich zomaar een vrije dag permitteert. De zon ziet bleek en lijkt net de maan doch doet haar best. Als het zicht een persfoto waardig is geworden verlaat Jan met een rode jerrycan het huis. Op het plein in de stad voltrekt zich juist een demonstratie vlaggezwaaien van de Pionieren, onder begeleiding van studenten uit de Socialistiscky Svaz Mládeze, waarvan hijzelf het onverplichte lidmaatschap geweigerd heeft met alle gevolgen.
Jan zoekt achter de ruggen naar een kruipgat. Een meisje onderbreekt haar slavische dans van Dvorák en probeert hem lid te maken van de Vereniging voor een Blijere Toekomst. Tegen de muren hangen jongeren die niet onderdoen voor Britse skinheads met opengeklapte koffers straathandel. Jan kruipt onder het dranghek door.
Zijn hart bonst van vrijheid als hij midden tussen het vlaggezwaaien zijn jerrycan opent en zijn fakkel ontsteekt. De act van vuurspuugster had hem op een idee gebracht. Prompt giet hij de brandstof uit over zijn hoofd. De laatste scheut neemt hij in zijn mondholte en gorgelt. De fakkel houdt hij Olympisch omhoog en blaast dan met al zijn levenskracht de borrelende substantie zijn keelgat uit.
Persfotografen, studenten van het blaasorkest, Pionieren en jeugdleiders zien aan hoe Jan P. druipend naar zijn uitgeblazen fakkel oogt. Zijn lucifers lekken. Agenten snuiven en gnuiven. "Een mislukte clown in de olie." Jan P. voelt zich smaken naar azijn.
Thuis schenkt Oom Pavel zich een glas rode wijn in, en neemt daaruit een slok benzine.
WIM HEINS