Terug naar Verhalenoverzicht

THEOLOGIE EN RIJVAARDIGHEID (1977)

YFUSBEEST, brult de grote schooier tegen de kronkelende goudbruine slang in zijn handen.

Een joelende batterij monteurs in modderblauwe overalls danst achter hem aan. De montagehal van Stadsreinigingsgarage West staat vol grijsgroene vuilniswagens, kiepwagens en gele elektrische kuikenkarretjes. De groep zwalkt er tussendoor en treedt naar buiten. "Geile pleurisslang!"

De volwassen kerels achter de aanvoerder hebben de baldadige gang van kwajongens. "Godverdomme Alex!" kraait één van de meelopers met gouden ringetjes in zijn lellen, "wat krijgt dat tyfusbeest van jou op ze donder!" "Stil!" commandeert de leider - tegen de sissende slang.

Hij is nu zo dichtbij dat ik tussen de klem van zijn smeervetzwarte vingers en de kop van het kronkelende reptiel, een vage gele ring kan ontwaren. "Kopen???" wil hij van me weten. Daarop duwt de bruut het scherp sissende monster niet zozeer onder mijn neus als wel mijn mond in. Ik voel de zwaluwstaart amechtig tegen mijn tong schieten. Wanhopig zwiept het geschubde achterlijf langs mijn wangen.

Van het oorverdovend uitlachen kun je afleiden wat bij deze achterstandsgroep als geestig te boek staat. Zoals een hond eerst aan je ruikt voor hij besluit dat je goed volk bent, zo wil een sociaal achtergestelde je graag even in de maling nemen. Je begint bij een vreemde hond ook niet meteen met apporteren. Gun een kansarme dus rustig zijn kans om je even belachelijk te maken, anders blijft hij apartheidspolitiek tegen je voeren. Ik lach kinds met de aanvoerder mee om de vernedering te bevestigen. Het is zo belangrijk voor ze. "Heb je kinderen?" vraagt de kerel met een blik op zijn slang. "Nee die heb ik niet." "O dan maak ìk ze wel!"

Met zijn ruim veertig jaar is hij nog altijd de brutale flapuit die alles zeggen kan. Het goudbruine zwartgevlekte lijf wringt zich in wanhopige bochten. De arme slang is natuurlijk uit het Amsterdamse Bos gekropen op jacht naar kikvorsen en ontdekte toen de warmte van de vuilniswagens. "Wat moet u met dat dier?" "O dus je wil hem op je brood?" "Ringslangen zijn ongevaarlijk." "Ja de pleures!" "U knijpt z'n keel dicht." "Nou en??"

Ik denk na.

"U hebt gelijk... Zelfs de Bijbel biedt nergens steun voor dierenliefde. God vond de vliegen uit om er in één klap twee te doden. Verzuip die smerige waterslang maar liever, dan kan je lachen."

Tevreden sla ik gade hoe het koppel direct naar de aangrenzende vaart toe danst. Zij zijn waarlijk het evenbeeld Gods. Ook Hij gebruikte de slang naar willekeur.

Ik ga naar het kantoortje van de chef.

"Recht in ze kanes!" schreeuwt deze een collega toe. Hij heeft het over een vechtpartij gisteren bij hem in de straat. De chef vertelt de ruzie niet na, zet het zelfs niet indringend neer maar verandert er zelf in. Z'n hakkende gebaren zijn werkelijk gevaarlijk en in zijn wijd uiteenstaande loense oogjes ontflikkert, ontbrandt een ware woestheid der rechtvaardigen. Moord en brand brult zijn stem als door een megafoon: "Wie heeft jou godverdomme gezegd om uit die klapperbomen te komen en hier mijn wagen klem te parkeren! En daar geeft-ie hem toch een dreun recht in ze raap man! Het was een bruine maar hij zag zo wit als een laken! Volgens mij was het ook nog een poot..."

Ik schrik van zijn blik. Toch durf ik te vragen: "Hebt u even tijd?" Ik zie meteen dat hij eigen initiatief allerminst op prijs stelt. In lagere milieus vinden ze gewoon doen al gek genoeg. "Hoor's!" valt hij geïrriteerd uit, "jij moet dus één ding heel goed onthouden. Wij hebben hier nooit: tijd!"

"Om begrijpelijke redenen hebt u het natuurlijk nogal druk. Maar ik moest me hier nu eenmaal melden omdat ik gesolliciteerd heb naar de functie van oproepbare pekelwagenchauffeur. Ik ben inderdaad in het bezit van de rijbewijzen B, C, D-"

"O wacht eens even jij bent dus Adrie Theist."

De chef scharrelt mijn sollicitatiebrief op. Uit de prullenbak. "Je weet dat je dus wordt opgeroepen als je net lekker slaapt hè? In het holst van de nacht als je vingers aan het stuur vast vriezen." "U kunt me het hele etmaal bellen meneer. Ik ben altijd boven in mijn kamertje bezig met wetenschappelijke theologie. En voor glijbanen loop ik inderdaad niet meer warm. Dat is zogezegd van de baan."

"Gaat u nooit uit??"

"Elke avond. Om 8 uur. Naar beneden om TV te kijken." "Ook als je weggaat moet je ons dus laten weten waar we je op kunnen roepen voor het geval het gaat sneeuwen." "Maakt u zich geen zorgen meneer. Ik verlaat het huis alleen om mijn paspoort te verlengen."

De chef knikt langzaam zonder me aan te zien. Zijn stuurse gezicht betekent: mijn oren tuiten van je gemekker. "Als u nooit buiten komt, hebt u dus geen routine. En dan met die kiepauto van de winter op spiegelgladde wegen?!" "Ik hou me fanatiek aan de regels meneer. Dan gaat er heus niks mis." Nu sluit hij ook belaagd knikkende de ogen. "Nou, hm! Half tien. De hoofdinstructeur is wat laat. Ik roep u wel. Ga maar koffiedrinken. Of nee, thee. Want dat studeer je."

In de gang hangt een prikbord met annonces. "Binnenlandse Veiligheidsdienst afdeling Amsterdam zoekt telefoniste met Mavodiploma en goed geheugenverlies."

In de kantine liggen twee chauffeurs en een glazenwasser languit met hun benen op tafel. "Een elektrische sinasappelpers heb ik d'r gegeven!" roept de dikste. "Drukt ze d'r op dan gaat-ie draaien. Hòò! Ja ik zei nog tegen d'r je kan er zelf wel op gaan zitten! Hòòò-"

De luitjes kijken op.

"Wat kom je doen? Een rijtest?? Stelt niks voor! Niks!" "Dan word ik hier dus strooiwagenchauffeur." "Strooiwagensjufeur? Dat is kaleirewerk! Wanneer ben je jarig?" "Op de dag voordat ik hier in dienst treed."

Opeens veren de luitjes alle drie naar het raam. Er rijdt een rode kinderwagen voortgeduwd door een Surinaamse schoonheid met Angela Davis haren over een helrose regenjas, waar het trio moeiteloos doorheen blikt. "Godklere," roept de glazenwasser, "wat heb dàt mokkel een lekker snoepgoed hangen. Wat zou ik dáár graag een haarlemmerdijkie mee draaien! Wat een wijf!" Hij kijkt heel boos, geeft een onverwachte vuistslag op tafel, rukt de leren lap uit zijn heuptas, snuit er zijn neus in en veegt de koffie ermee van het formica. Tenslotte kweelt zijn rottende keel zonder enige aanleiding een flard zang die naar mijn inschatting afkomstig is van Radio Vulgairpapegaai.

Ik ga zitten.

De dikste chauffeur neigt conspiratief naar me over, dept debiel mijn elleboog, simuleert met zijn klauwen twee borsten, en fluistert: "Wie 't breed heb laat't breed hangen." Nog een keer roert hij me aan met dat griezelige vette entre-nous gebaartje. "Voel je'm? Zou jij later ook zulk speelgoed kunnen betalen? Studeer je iets moeilijks?" "Nee Godgeleerdheid. Dat is vrij simpel. In Exodus 3 geeft God als Zijn voor- en achternaam op: Ikke Ikke. Meer hoef je eigenlijk niet te snappen. Je kan mensen beïnvloeden als bakker door te bakken, als dichter door te dichten, als dominee door te domineren. En dat lijkt me jofel. Net als de Heer: heersen." "Kan je ook nog lachen?" "O ja hoor. Paus Johannes Paulus, de heilige vader, is erg ziek en ziet er uit als een geest. Hoe zou je hem zo kunnen noemen?" De kinkel weet het niet, omdat kansarmen niet vanuit ideeën kunnen denken. "Dus als jij uitgeleerd bent," begrijpt de arbeider, "dan kan je als het ware een thermometer in de reet van die Ikke Ikke stoppen om te zien wat hem precies mankeert?" Goedzo kerel, steek de draak er maar weer mee. Dat kan Ikke Ikke gebruiken. Aan mondigheid hebben we niks. Vanuit theologisch standpunt zou ik zelfs van deze medemensen moeten houden! Hoe zet ik dat om in een daadwerkelijk getuigenis? Ik open een doosje drop en ga rond. "Dat is goedkoop uitdelen!" roept de glazenwasser.

"Deze meneer houdt zich fanatiek aan de verkeersregels, Stompetoren."

Naast de chef staat een magere man met overhemd en das, maar daaroverheen een kaki stofjas. "Neem meneer even een rijtest af."

Ik voel het bloed gloeiend naar mijn hoofd vallen. Stompetoren! De hoofdinstructeur staat perplex te knikken. Op zijn pas geschoren linker wang prijken twee ruw-rode wondjes.

Bij het instappen stoot ik met mijn hoofd zo hard tegen de rand dat het wel Oudejaarsavond lijkt. "Kiepauto's hebben een laag plafond," hoor ik hem naast me, "u hebt ze zeker nog nooit van binnen gezien of vindt u zelf van wel?" De sterren doven. "Start u maar. De motor is heet dus voorgloeien hoeft niet."

Ik zet de versnelling ergens in vier en buig de lange vishengel van een handrem helemaal naar benee. Onmiddellijk stampt zijn voet op de rem. "'t Is hier schuin hoor." Ik start nu en laat de koppelingspedaal los. Meteen valt er weer een stilte. "Waar is de choke?" "Deze Bedford heeft geen choke. Wel een achteruit. Daar moet u hem nu inzetten." Zijn zachte hoge stem klinkt genoeglijk; hij zit bewegeloos naast me in de cabine en spreekt zonder me aan te zien.

Eindelijk rijden we buiten de poort. Bammm! "Verdomd!" roep ik onzeker. "Dat was geloof ik de supersone windtunnel van het Luchtvaartlaboratorium." Ik zoek naar schade of rookwolken maar zie alleen een strenge messcherpe gele flits neerpriemen, ergens in het Amsterdamse Bos. "O het is onweer," mompel ik, "de seconden tussen bliksem en donder vermenigvuldigd met 300 geven de afstand in meters." "Schenkt u ook aandacht aan de besturing?" dringt hij fijntjes aan. De motor gromt en grauwt terwijl ik ezeltje-prik speel met de versnellingshengel. "De routine ontbreekt!" stelt de hoofdinstructeur vast. "Effe wennen!" "Als je ervaring hebt waarom moet je dan wennen?" "Niet iedere Bedford is hetzelfde." "Deze wagen is geheel intact." "Ook intacte wagens kunnen verschillen. Wat verwacht u eigenlijk wel niet?!" Boos kijk ik hem aan.

Daarop stoot ik mij voor de tweede keer een buil. Nu tegen de voorruit. Eerst zie ik alleen een lege zebra, maar juist als ik de hoofdinstructeur verontwaardigd aan wil vallen, verrijst langzaam het verwilderde gezicht van een jonge Surinaamse schoonheid boven de ronde motorkap uit. "Gaat u maar achter het stuur vandaan. Eén ongeval per dag is wel voldoende, of vind u zelf van niet?"

Dit nauwkeurige rapport zou zeer onvolledig zijn en hoofdinspecteur Stompetoren zou in een volkomen verkeerd daglicht komen te staan, indien niet ook het volgende in de afweging werd betrokken.

Na op mijn Sparta eerst fors de maximum snelheid te hebben overschreden kwam ik vast te zitten. Bij groen licht sijpelde het verkeer zo traag het kruispunt op dat ik nog geen vijf meter gevorderd was, als de kraan via het oranje licht reeds weer werd dichtgedraaid. Ik vloekte stevig om koolmonoxide te laten ontsnappen. Eindelijk een geul tussen de auto's. Gas. Oranje. Een zebra. Kon nog best. Rood. Vol gas. Terwijl ik links langs een bus de zebra over dacht te schieten, rook ik plots gevaar. Een gestalte doemde op. Te laat. Nemen hoe het komt. Míjn beurt voor een ongeluk. Ik gebruikte het lichaam van vlees en bloed als stootkussen. Hij voelde als een trampoline. Het motortje van mijn brommer uitzetten na een noodlanding, terwijl ik er zelf onder lag, had ik al eens geoefend, dus ik vond het schakelaartje snel. "Kan je niet uitkijken!" kreunde de man met geweldloze stem. Ik keek vanonder mijn brommer toe, hoe hij met zijn hand tegen zijn kaak overeind strompelde. "Mijn schuld," stamelde ik. "Ik moet toch óók wachten als het rood is, asociaal!" "Culpa mea!" riep ik - hoe kwam ik daar nu opeens aan? "Zal ik effe bij je komme, nozem!" bood een taxichauffeur aan. De bevende duizelaar zette zijn dunne bril recht en huiverde: "Me laatste uur had wel kunnen slaan." "Dat was dan tenminste nog een uur geweest. Laten we nou eerst maar naar de kant gaan." Mijn machine leek total loss oftewel kar na val. Fortuinlijk genoeg kon ik de elastische brommer achteraf moeiteloos in de oorspronkelijke vorm terugbuigen. "Ik ben uw getuige!" riep een baardaap met twee camera's om zijn nek tegen de arme man. "Hebt u een foto genomen?" vroeg ik. "Een getuige hoeft geen foto's te nemen!" snauwde hij. "Ik vrees dat uw hoofdredacteur daar anders over denkt."

't Drong nauwelijks tot me door hoeveel mensen er omheen stonden. "Asociaal!" riep de man met zijn hand tegen zijn kaak, "ga d'r nog bij staan lachen ook!" "Ik lach van ellende, zoals je ook huilt van geluk. Hoe voelt u zich?" "Au au!" "Hm. Pijn is een waarschuwing." Hij boog zich voorover en kotste bruin over het trottoir. Mijn geweten zette een flinke keel op maar zelf weigerde ik elke aansprakelijkheid. Ik voelde me hierdoor enigszins van mezelf vervreemden en het ging door m'n hoofd of de theoloog Tillich dit soms bedoelde toen hij sprak over "de grote afzondering". Het volstrekt ongevaarlijke timbre van 's mans stem, welke nu het overgeven van koerende muziek voorzag, kwam me voor als niet onsympathiek. "Wat hebt u eigenlijk gegeten?" vroeg ik geïnteresseerd. Inderdaad werd ik een onmiskenbaar gevoel van almacht over hem gewaar, en begreep weer beter wat Ikke Ikke daar zo in aantrekt. "Ossestaartsoep, asociaal!" klaagde hij. Een agogisch gedupeerde huisschilder riep in zijn achterbuurttaaltje: "As ik dat gegete heb dan wil ik altijd naar vliege slaan!" "Sigaret!" eiste de zieke bleek. "Wat rookt u dan?" "Rexington!" "Wie heeft er Rexington?" ging ik goedig rond. De schilder reikte me een pakje Lexington met nog twee d'r in. "Hier is Rexington, slappe RUR!"

Hebberig en haastig aan de sigaret trekkende keek de ongelukkige me weer aan. "Asociaal!" "Ja ik kan me wel voor me kop slaan. Als ik wat fitter was geweest doen sloeg ik mezelf misschien wel dood." "Geloof je het zelf? Geef je adres nou maar!" Ik merkte dat ik een primitief opgeblazen handschrift produceerde. Toen hij het briefje uit mijn hand gegrist had vatte ik samen: "Laten we blij zijn dat we nog armen en benen hebben." "Zonder armen en benen schoot ik mezelf meteen voor me kop!" jammerde hij. Voorzichtig voelde hij aan twee ruw-rode wondjes links op zijn pasgeschoren wang - die ik daar dus zelf met mijn helm op had aangebracht. Gebruikt Ikke Ikke mij om die man te straffen of straft Ikke Ikke mij door die man of allebei?

"Wat sta je me nou aan te gapen?!" "Bent u violist?" vroeg ik gauw. Gekweld onderzocht hij mijn blik. "Dan zou u nu namelijk niet kunnen spelen. Wacht, geeft u ook even uw eigen naam en adres."

"Stompetoren!" snauwde hij, wuifde me met een flodderig handgebaar van zich af, en hobbelde naar de bus.

We springen op straat. Het weerlicht. De rode kinderwagen van de vrouw is een heel stuk verderop tot stilstand gekomen in de goot bij het trottoir. Bitter klinkt haar verwijt: "Ik had wel dood kunnen wezen!" Deze ware bewering gaat verloren in een harde slag op de grijze zinkplaat van het zwerk. De eerste hagel stort op straat. Ik loop maar snel om de motorkap heen en stap weer in. De gestage ritmiek van hagel op het stalen cabinedak lijkt op het regenende geluid van een filmprojector voor geluidloze film.

"Wat was ook al weer precies uw naam?" Ik moet schreeuwen om boven het geratel uit te komen want de hagels groeien groter. "Adrie Theist!" Nauwkeurig priemelt hij het vlak onder zijn neus op een blokje en tast nog eens pietluttig naar zijn kaak. "Gelukkig weet ik nu uw echte naam!"

Gebogen over haar kinderwagen zwoegt de rose vrouw over de stoep tegen de neerrazende keien in. Flash! Ikke Ikke maakt er zelfs foto's van! Reeds in Genesis 3 toonde Ikke Ikke Zijn tomeloze vrouwenhaat door hen te vervloeken met de doem van barenspijn, immers wetende dat bange vrouwen zwaarder bevallen.

Terwijl de hoofdinstructeur terugrijdt zeemt een glazenwasser gezeten op de motorkap zich het lamlazarus. Ik zie alleen zijn armen slopend, uitzinnig onmenselijk uitrekken van de ene hoek naar de andere. Maar de rare kringetjes op de voorruit met het onverklaarbare zwarte middelpuntje ontstaan direct opnieuw.

Mijn gedachten dwalen af naar Josua 10. Druk bezig de joden te gebruiken om handenvol Amorieten neer te steken, bedacht Ikke Ikke dat ze best eens zichzelf de eer van de overwinning zouden kunnen toedichten. Maar met enorme hagelstenen wist Hij meer Amorieten af te schieten, dan de joden samen hadden kunnen doden. Aanpappen met Ikke Ikke moet men nimmer. Hij staat aan niemands kant behalve aan die van Hem Zelf. Evenmin moet men Zijn eer betwisten. Slechts dan kan men invloedrijk domineren uit Zijn naam.

De hoofdinstructeur knijpt zijn ogen fijn om in het waterland vol versplinterde koplampen nog iets te ontdekken van tegenliggers, en schakelt de ruitenwissers nu van snel naar panisch. Ikke Ikke reageert alert en ongedurig met een nog hogere handvaardigheid. Ik voel me een koffieboon in de molen onder dit razende tumult. Het moet toch iets betekenen, want als Ikke Ikke iets duidelijk wil maken stuurt Hij een ramp, nooit een telegram. Een stoplicht spoelt rood de voorruit over. Ik neig naar de bestuurder en brul: "Onze Lieve Heer Die kan er wat van!" De man maakt een slordig, lullig handgebaartje en distantieert zich van mij met een weeë zepige glimlach. Omdat hij geen zàk verstand heeft van theologie. Het kabaal bedaart direct. Het stationair draaien onder onze stoelen is nu weer hoorbaar met een ritmische reeks parmantige, zichzelf nog heel wat schattende plonsjes, alsof iemand iedere seconde een fixe kiezel in de plomp kwakt.

Door de natheldere voorruit zien wij het stoplicht bedaard overvloeien naar groen. Schurend bruisen onder het rijden nog plassen tegen de spatborden. We passeren een ambulance bij een omgevallen ladder. Is die glazenwasser uit de kantine door het noodweer overvallen?

Dan sloeg Ikke Ikke dus twee vliegen in één klap!

WIM HEINS

Terug naar Verhalenoverzicht