Terug naar Verhalenoverzicht

ZUIGENDE TONICA (1981)

DU SCHRIKT WAKKER van de klaterende bel. Buiten staat een timmerman van de woningstichting.
"U krijgt een nieuwe deur." De vakman slaat de scharnierpennen uit. Beertje, het troeteldier van Kathy, sluipt naar buiten.

De oude deur staat in de gang tegen de muur. Edu neemt koffie in en schroeft de naambordjes los van hemzelf en van zijn vrouw: Kathy Schopdekat.

Toen hij een half jaar voordien met Kathy bij zijn schoonouders binnenkwam, schonk haar vader, de baard tegen de borst drukkend, juist een fles Berenburg leeg. Kathy's moeder met modderachtige ogenschaduw op haar perkamenten vel blikte gedupeerd in het rond.

"U kunt nu luisteren," zei de radio, "naar Brandenburgs Concert nummer twee in F van Johann Sebastian Bach." "De sterke drank voor je verjaardag!" klaagde de vrouw, "voor dag en dauw al op!"

Schopdekat las voor van het etiket: "Deze echte Friesche Berenburg, sinds 1885 in Leeuwarden getrokken van de fijnste kruiden, heeft een heilzame, opwekkende werking."

Op de radio ging nu het Brandenburgs Concert van start. Een vitaal trippelend allegro. Kathy's vader begon Bach te dirigeren. Zijn handen sprongen omhoog, doken door dalen en schetsten in de lucht een beeld vol opgeruimd, kloekmoedig geesteleven, wat de aandacht trok van een kleine goudbruine kat, die het dressoir op klom.

Het Brandenburgs Concert galoppeerde voorwaarts over vlakke bodem. Schopdekat's handen werden joyeuze wijwaterkwasten en de stoelzitting een trampoline. De Berenburg van 33% liep gesmeerd. "Voor het conservatorium was je te stom!" schreeuwde de schoonmoeder door de violen heen.

Bach stak zijn fluiten nu mikkend naar boven, en reeg nog virtuoos een paar hemelse sferen en een handvol noodlottigheid aaneen. Toen de componist zijn polsstok met snorkende basklanken in de zuigende tonica plantte, zeilde het katje vanaf het dressoir door een korte boogbaan naar de tafel.

Een vlam ontbrandend moerasgas schoot de radio uit en een elektrische schok van bewustzijn zette het Brandenburgs Concert als benzine in lichterlaaien. De armen van Kathy's vader zwermden dol over tafel. Terwijl Bach klaar kwam met het langgerekte slotakkoord spreidde Schopdekat zijn mozesarmen in hun volle lengte door de kamer. Triomfaal trad de stilte in. Edu en Kathy applaudiseerden. Vader plofte op zijn stoel.

"Jíj krijgt een schoteltje melk!" hijgde Schopdekat. "Je galgemelk. Want vanmiddag valt voor jou de nacht." "Ga je hem verdrinken?!" vroeg Kathy. "Ik niet! Ome Dries!" Kathy zag haar man doordringend aan. "Maar dan nemen wij hem mee, hè Edu??"

Ze wees op de lege fles Berenburg. "Zijn naam zal luiden: Beertje."

Edu signeert het bonnetje van de timmerman in ruil voor de nieuwe sleutels. "Opschieten meneer," mompelt hij tegen zichzelf. In de automaat zit nog wat vuile was. Haastig slaat Edu de patrijspoort dicht, vernieuwt de kattebakkorrels, zet blikken Flicky klaar voor Beertje met veel vlees en vis, start het bontprogramma, geeft de planten water en pakt zijn tas in. Hij herleest nog even de brief van Tonica Jansen. "Als je de bus van tien uur neemt haal je de Koegelwieck van kwart over twaalf. Dan ben je om één uur op het eiland. Ik wacht op de steiger, mamour. Vita sine eros tristis est!"

Edu heeft Tonica ontdekt in de spreekkamer van zijn huisarts. Die lag zelf in het ziekenhuis. Tonica had meteen een paar ingrepen aan de werkruimte verricht. Er steeg zachte stapvoetse muziek langs het matglas raam. In een hoek op de witte luidsprekerkast rustte een manshoog Christusbeeld. "Ik ben de laatste patiënt," zei Edu gedienstig, en vermeldde zijn klacht. De donkerbruine ogen van de dokter glansden nieuwsgierig onder haar brede voorhoofd. "Ga daar maar even liggen. Hou je T-shirt maar aan." Op de onderzoekstafel zag Edu dat het beeld aan zijn voeteneinde lange zwart beschilderde haren had en bezig was zich te ontdoen van een purperen kleed. De sculptuur was bezaaid met felrood opgeschilderde verminkingen. De dokter kwam langszij. "Mooie muziek," fluisterde Edu. Om haar bundel opgestoken hennarode haren droeg de medica een witte kunstzijden sjaal gedrappeerd als een tulband. "Ik zie op je kaart dat je vorig jaar besneden bent." "Ja maar nu kom ik dus voor jeuk." Ze boog zich licht voorover en duwde met haar vingers zijn geslachtsorganen opzij om de liezen te zien. "De huid is wat geïrriteerd. Je zweet en dan komen er schimmels. Ik geef je een hormonenzalf." Haar mollige handen rustten een ogenblik in studie op zijn heup en dij. "Bent u katholiek?" vroeg Edu. Ze stak haar linkerhand op en spreidde haar vingers. "Geen trouwring, ik ben gescheiden." Haar vertrouwelijke toon legitimeerde Edu om ook een persoonlijke noot te doen klinken. "Hoe kan een man scheiden?" waagde hij, "van een vrouw met zo een mond?" Glimlachend ontblootte de dokter haar lelieblanke tanden. "Ach, voor hem was mijn mond alleen maar weefsel. Hij wilde wel, maar hij had geen gloed. Hij verveelde zich tijdens het kussen. Je hebt nu eenmaal mannen en vlakgom."

"Voor mijn besnijdenis had ik pijn als ik hard werd." Ze hield haar hoofd scheef. "Ach God, terwijl het hardste toch alleen maar een zoeken is naar het... zachtste. Heeft een arts je daarna nog gecontroleerd?" Edu schudde zijn hoofd. Ze hield zijn lingam in haar hand. Hij sloot de ogen en werd een tweetal cadansen gewaar die met elkaar in de pas schenen te willen lopen: het klimmende ritme in zijn eigen bloed en de bedachtzame wiekslag der strijkinstrumenten uit de luidsprekerkast. De rust in de spreekkamer bracht hem nader tot zichzelf. Overal in zijn lijf begonnen gletsjers te smelten. Langs zijn ruggegraat trok een tinteling opwaarts. Zijn zintuigen stelden zich scherp. Hij opende zijn ogen en keek naar haar mond, zo bloemrijk, zo een gewelfde kelk, voelhoorn, blind en ongebreideld uitgestoken. Tonica boog zich en begon te zuigen. Iets bijna persoonlijks dat leven heette ontlaadde zich kort en krachtig; hetzij zaad of bloed of openbaring of kiezelsteentjes, maar onloochenbaar zichzelf.

Vita sine eros tristis est, schrijft ze. Zonder eros is het leven somber. Edu's vriendin Kathy logeert bij een oom in Zuid-Afrika, juwelier, om nog eens rond te reizen voordat de blanke samenleving de oceaan in wordt geveegd. En Tonica neemt een praktijk waar op één der eilanden van de Wadden Archipel. "Opschieten meneer!" mompelt Edu. Alleen nog Beertje binnenroepen. Het goudbruine dier laat zich echter niet lokken wanneer Edu buiten voor de deur als het ware een klok luidt, door met een lepel tegen de ijzeren voedselschaal te slaan. Hij wordt een luide klik gewaar. Zijn bontprogramma is doorlopen. Dan wordt het dus de hoogste tijd. Edu zet de patrijspoort open en verlaat het huis. Hij heeft immers met de buurvrouw afgesproken dat ze voor Beertje zal zorgen.

In de bus op de uitgesmeerde momentopname van de Afsluitdijk dankt Edu een gevoel van welbevinden aan de ontelbare lelieblanke zwanen, die langs de eindeloze bazaltrosten als halfgevulde gasballonnen op het water drijven met de halzen ondergedompeld, wanhopig zuigend en rukkend aan een begeerd maar diepgeworteld goed.

Onder het gesmoorde daveren van de fossiele krachten ploegt de schroef van de Koegelwieck door de Waddenzee. Op de meerpalen van het eiland staan mantelmeeuwen te wachten zo groot als kalveren en achter het hek op de steiger: Tonica zelf.

Haar gewelfde mond zuigt mild, haar wuivende lokken geuren. Er staat een bus te wachten met draaiende motor en er ligt een tankboot proef te stomen. Het schuimende tumult bij de schroef lijkt op kotsen.

"Vanmorgen een meisje," vertelt Tonica, "geradbraakt door een truck. Net in de eerste klas. Om naar die school met die bijbel te gaan moest ze een drukke weg over. Haar been was er helemaal af. Ik heb beide door de helikopter naar Leeuwarden laten vliegen. Zo'n 33% kans op leven maakt ze." Edu grinnikt. "Onverdeeld naar de openbare school, werd er vroeger geadverteerd."

Ze ontdekken een konijnehol met en dood konijn erin. Bij een huis genaamd De Alikruik, H.Worst, huisarts, steekt Tonica de sleutel in het slot. Binnen rinkelt een telefoon. Edu loopt weer naar buiten. In zee talmt een schip. Krijsende meeuwen dansen en draaien. Laag om het huis joelen zwarte boden met houtskolen wieken. Tonica doemt weer op. Haar lippen trillen. "Ik moet weg Edu! Mijn vader is verdronken! Hoe kan dat hij was zo sterk als een beer!"

Ze knijpt haar ogen samen, spert haar mond open en slaakt een hoge huilerige kreet.

Die avond om tien uur opent Edu met de nieuwe sleutel weer zijn deur. Hij wil onder de douche en stapt naar de wasautomaat in de hoop dat zijn sokken zijn opgedroogd.

Wie komt daar tevoorschijn?

Hoe heeft hij dàt kunnen vergeten? Zijn lievelingsplekje, het holletje tussen de was!

Edu's onderbroeken zijn vergeven van de haren. Beertje beertje! Alles zit bedekt onder een korst van opgedroogde kak en kots.

Eén van de poten is er af. Zo ben je in het bontprogramma blijven dansen en draaien! Geradbraakt! Verbrand! Beertjes goudbruine verstijfde kadaver blijft de ogen krampachtig samenknijpen als onder het onduldbaar weten dat de nacht voor hem gevallen is en houdt, sinds zijn laatste krijsende kreet, het muiltje met de lelieblanke tandjes nog voortdurend opengesperd.

WIM HEINS

 Terug naar Verhalenoverzicht