Hart en
Kruis
Onze parachutespring-instructrice Vera heeft dik kastanjerood krulletjeshaar. Het ligt tot ver over haar hoofd heen gezakt als een parachute.Tijdens de grondopleiding in de hangar staan we in de rij om achterwaarts van een trappetje af te gaan in de parahouding.
Op de trap staat een meisje met zacht vloeiende vormen en grote bedachtzame reebruine ogen.
"Nee ellebogen naar voren," instrueert Vera, "want als je daar je landing mee gaat breken kost het je een sleutelbeen." "Hoe hoog zìtten de stuurkoorden aan die hangriemen dan precies?" informeert het mollige meisje. Vera's mondhoeken gaan flauw omhoog. "Ja dat merk je wel als je aan je chute hangt Marjolein! Kin op je borst en tanden op elkaar om je tong niet af te bijten. Go!"
Hoewel deze Marjolein met lichtgebogen knieën en de benen keurig volgens het boekje tegen elkaar naar achteren springt stort ze toch allerongelukkigst op haar stuit. "Ja zó wordt je vaart niet gebroken over een maximaal lichaamsoppervlak!" citeert de gymjuf.
De bokspringmat waarop we oefenen is reeds voorzien van een wit landingskruis net als op het springterrein waar we straks met onze chutes boven zullen hangen. "En maak je landingsrol midden in het kruis!" drillt de instructrice.
Keer op keer doe ik de landingsrol vanaf het trappetje met het besloten, veilige gevoel dat ik op deze springschool thuis ben bij een zinvol doel. De toewijding voor de discipline sterkt me met een overlevingskick. Het juk des levens vormt een last, maar een para die omhoog gaat voelt zich opgelaten: dat is in ware zin hart hebben voor het kruis.
Terwijl ik bezig ben met het vastplakken van mijn bril komt medeleerling Marjolein naar me toe. "Wij zijn voor de eerste sprong sámen ingedeeld, leuk hè?" Ik zie in haar reeënogen het teder omklemmen van een soort kermisgeluk. "Nou vergeet ik je nóóit meer," zeg ik terug. "Dat zou je toch al niet," roept ze dollend.
Jumpmaster Vera die met ons mee naar boven gaat controleert de noodparachute op de buik van een meisje met bol vooruitneigend voorhoofd en ogen die door een ijzerdraadbril onimponeerbaar stoerig vooruitkijken.
"Je ging de laatste keer als een potlood naar beneden meid," murmelt Vera tot het kind. En haar leerling verlekkerd aanblikkend: "Parachutistes en paardrijdsters lusten er pap van, snap je dat?" "En als ik op een schuin dak val pak ik alles wat ik pakken kan!" begrijpt de ander. Manon trekt wild met de ogen, haar vlasachtig haar wappert.
Ik neem plaats naast Marjonlein op de achterbank van de Cessna-172.
De deur en de rechter voorstoel van het vliegtuig zijn verwijderd.
De instructrice zit op de grond naast de vliegenierster met haar gezicht naar de achterbank. Bij het proefdraaien van de motor vlak voor de start is Marjolein naast me haar kermisgevoel al kwijt. Ze kijkt inmiddels rooddooraderd.
Als de Cessna keihard over de baan schiet klinkt door de open deur uit het motorgeluid de woeste roes van eeuwenlang gekerkerde, eindelijk losbrandende, fossiele oerenergie.
Instructrice Vera draagt niet eens een helm en haar rode krullenpruik wordt naar alle windstreken heen en weer gerukt. Maar met een onverstoorbare, dromerige ernst tuurt ze tijdens de klim door het open deurgat omlaag, af en toe een onderzoekende blik op haar slachtoffers werpend.
Boven 1000 voet maakt ze onze gordels los en haakt de musketon van de staticlines nu vast.
De slipstream van de propeller drilt met een vast toerental in mijn gezicht en dat koelt ijzig af. Máár ik voel me wel vrolijk want ik weet nog niet hoe zo'n teraardebestelling aankomt. Ik kan het eiland nu helemaal overzien. "Waar is het vliegveld?" schreeuw ik gemotiveerd. Vera wordt wakker en vraagt het aan de vliegster. Die wijst omlaag. Behulpzaam kijk ik mijn buurvrouw aan. Haar vrij grote reeënogen liggen thans ingetrokken en tot spleten geknepen. "Het vliegveld is beneden!" informeer ik haar.
Ze zendt me een brede grijns toe en knikt met een jolige grimas. Als ze zich weer in zichzelf terugtrekt valt haar mollige wipneus eens te meer op.
Altijd, althans een kwart eeuw, zal me het gevoel van onherroepelijkheid bijblijven door de resolute klap die ik na een kilometer klimmen van Vera op mijn knie ontvang.
Als eerste springer kom ik overeind en als je naar voren schuift houdt de instructrice je met doodsernst bij je borstband vast. Je stapt met één voet op het wiel en één op het stepje, en je pakt met je handen de vleugelstut, teneinde je straks horizontaal naar achteren af te zetten.
Als ik er eenmaal sta merk ik het verblijf daar eigenlijk best een goed vertier te vinden. Ik krijg het gevoel dat het rode krulletjesmonster dat daarbinnen zo nerveus "Ready?!" zit te schreeuwen zich er liever niet mee had te bemoeien. "Go!" schreeuwt ze uit.
Ik gehoorzaam en zie het wiel vlak voorbijflitsen. Suizend ga ik teloor in het ijle zwemdbad van de eeuwigheid.
Marjolein, die ook naar voren kruipt, zegt later dat ik mijn benen niet echt opzwaaide vanaf het wiel, maar dat ik abrupt werd weggezogen: woesjj!
Ik stort dus achterwaarts, strek ledematen volgens voorschrift en schreeuw (om de instructrice te laten merken dat ik bij kennis ben): "Duizend één!" Breng de handen naar de borst. "Duizendtwee!" Stoot de armen met alle kracht weer buitenwaarts. "Duizenddrie!!" Tenslotte om waakzaam te zijn: "Parachute controlereeèèèèhh!"
Met deze laatste overlevingsroep, klinkend als een afstervende alarmkreet, verdwijn ik voor Marjoleins waarneming in de diepte. Ze bekende die avond nog te zijn wakkergeschrokken uit haar eerste slaap toen mijn langgerekte uilengil vol wrok en wraak nog eenmaal als een pijl door haar hoofd was geschoten.
Het vliegtuig is al een eind verder in de hoogte en beschrijft een bocht. De droge klap waarmee het nylon zich ontplooit laat sporen achter in mijn geheugen, dus een black out heb ik niet.
Het snel wegrollende vliegtuiglawaai is net een denderende trein die jou achterlaat op een uitgestorven gehucht. De stilte valt in. En verderop hangt Marjolein.
Beneden strekt zich een boerenkoolkleurig land uit in lijnrecht afgebakende akkertjes. Witte stippeltjes van schapen. Het vliegveld is er ook en middenin bevindt zich daar onze mandala, de trouwe wachter van leven en dood: ons landingskruis. Ik probeer mijn stuurlijnen uit en beschrijf aan een eenpersoons zweefmolen fraaie bochten.
Plots klinkt van verre het gekrijs van grondvrouw Manon. Men wordt toegeschreeuwd door een megafoon. Ik voel me echter vrij om te dromen en dat onbetekenende geschreeuw uit de buitenwereld stoort me niet zozeer. "Parachutist 1 rechts... trekken!"
Ja ik begin nu toch wel te beseffen dat ik hier niet eeuwig blijf hangen. En of die gebouwtjes in de diepte nu eensgezinswoningen of kippehokken zijn, ik ga er graag overheen. "Rechtsom draaien!"
Ik trek de rechter stuurtoggle tot mijn heup omlaag.
De chute beschrijft een rechter bocht. "Goed zo!" hoor ik, "zo blijven hangen."
Manon de paragodin blijft standvastig bevelen. "Parahouding aannemen. Benen sluiten!"Overrompelend als vliegende watersnood komt een welvende zeespiegel opzetten van groen groen knollenknollenland.
Ik zeil nog net over een prikkeldraad naar de rand van het luchtvaartterrein. En krijg voor mijn hoogvliegerij het raarste pakslaag ooit, als ik met overmatig krachtvertoon wordt teruggenomen.
Met mijn ogen stijf dicht geknepen zie ik een stuk weiland uit een onbekende wereld dat stuiterend verongelukt.
Heb ik een hallucinatie of ben ik een ogenblik uitgetreden ??Mijn volgende indruk is of ik wakker word uit een diepe slaap.
Zo moet het ter aarde gedaalde kind Jezus zich hebben gevoeld in de kribbe.
Ik voel de wind en wordt meegesleurd. Maar ik sta al op mijn benen en ren om de chute heen. Als de wind eruit wikkel ik hem om mijn armen.
Vlakbij stort Marjolein nu neer en als ze opkrabbelt lijkt ze wel een ongelukkige die met beddelakens en al uit een vliegtuig is gevallen.
"Ik verga van de pijn," kreunt ze, bezig de parachute kruislings om haar armen te achten. Ik pak haar sleeve en pilotchute en voeg die bij mijn eigen baal. "Je moet het echt zeggen als je niet kan lopen," roep ik, "dan koppel ik je capewells los en draag ik je hele chute er wel bij. "Dat is erg lief," kreunt ze, "maar wil je even kijken of er niks over de grond sleept want ze geven je er nog voor op je donder ook."
Naast elkaar lopen we nu over de groene vlakte, de armen vol witoranje nylon, koorden en riemen. We zitten er aan vast en ook aan elkaar. "Sleept er echt niets over de grond?" houdt ze aan. Het vliegtuig rijdt op ons af en blijkt alweer gevuld te zijn met een nieuwe 'stick' aan springers. Vera springt er lenig uit. "Scheelt er wat aan?" "Mijn rug is gebroken!" jammert Marjolein. "Welnee meid je loopt toch nog!"
De instructrice stapt meteen weer aan boord en de Cessna schiet met jeugdige kracht naar de startbaan toe.
Het lijkt of we bij de hangar komen aanwaaien uit een andere wereld en op een andere dag. "Trek die chutes uit en zet de top vast," commandeert de grondinstructrice Manon tot een paar springsters die kreupel en verstuikt over het vouwveldje strompelen. Een slanke manke vrouw klaagt dat men haar sprongen eerst wenst te verwerken. "Ah!" roept Manon met tellende wijsvinger, "één twee drie vier vijf uitvalsters tegelijk. Dat heb ik nog nooit meegemaakt."
Als ik me heb ontdaan van reservechute en 'harnas' zie ik mijn medespringster Marjolein tot Manon huilen: "Wilt ú me chute alstublieft inpakken??" Aan de rand van het vouwveld gaat ze op handen en knieën met haar hoofd tegen de grond zitten krimpen. "Ik weet niet waar ik het zoeken moet! Komt dit wel vaker voor?" "Ach een opdonder komt voor," praat Manon schouderophalend en tuit de lippen. "Wat heb je eigenlijk, pijn of zo?" "Ja mijn rug is gebroken of kan dat niet?" "Kàn dat niet?? Ja ben ik hier soms de dokter!?"
Even later is de lange manke vrouw inderdaad bezig in een soort wilde ernst haar chute weer op te vouwen voor de volgende sprong. "Hoe moet het op dit punt verder?" kermt ze rond. Ik antwoord: "Nu baan 1 en 28 opzoeken hè." "Maar een T-10 heeft toch dertig banen!" "O ja, had ik daar ook maar mee gesprongen." "Luister ik wil wèl dat hij opengaat!" "Ach mens wat maakt dat nou uit," kreunt Marjolein vanaf het gras, "een pak op je donder krijg je tòch!"
Manon komt er aan. "Hee zeg een béétje ruig jullie daar!"
En tot mij: "Sta niet zo te apegapen Heins! Opschrijfboekje weg en de handen laten wapperen!" "Maar die windzak wappert ook!" sla ik alarm. "Ja het is windkracht 4 geworden. Jullie komen deze maal wat harder aan. Kom Heins een béétje ruig! Help Marjolein es voor haar volgende sprong!"
Nasaal roep ik: "Maar gisteren zei je toch..."
"Gisteren was ik hier helemaal niet."
"Ik bedoel vanmorgen... ja het is hier zo sensationeel dat ik vanmòrgen als gisteren ervaar..."Mijn ogen tranen in de tegenwind. Manon komt met haar gezicht vlakbij: "Het leven van een parachutist Heins is: HARD! Maar zolang jij de parahouding maar aanneemt en doet wat er gezegd wordt..."
Ik trek mijn zakdoek. "Kijk Manon," wapper ik, "die gaat tenminste open." "Ben je bijgelovig?" informeert ze. "Gisteren nog niet maar na één sprong geloof ik al dat er een god bestaat." "Nou al?" "Ja: omdat mijn genitaliën er nog aan zitten, snap je dat?"
De grondinstructrice kijkt voor het eerst alsof ze een vuurtoren ziet lichten."Zeg waarom ben jij eigenlijk de enige jongen hier?" Ik snuit mijn neus en roep: "Ja! Jij denkt wel dat je alles voor het zeggen hebt maar dàt vermeldt dit verhaal dus niet."
WIM HEINS